Gelijkwaardige strijd om de beker

Donderdag 9 januari speelde Philidor een bekerwedstrijd in en tegen Voorschoten. Ik zeg dat maar vast aan het begin, anders kunt u wellicht geen touw vastknopen aan mijn relaas.

Sinds de openstelling van de regionale en landelijke competities voor alle belangstellende teams zijn er in feite twee parallelle universa met geheel eigen natuurwetten ontstaan. Waar de KNSB-competitie al twee jaar van tevoren de speeldata vastlegt, rekening houdend met de Bundesliga en het Tatatoernooi, daar had de LSB-competitie vorig jaar een indeling die pas in oktober gepubliceerd werd met onder andere wedstrijden die al binnen een week na de bekendmaking en zonder nadere kennisgeving plaats moesten vinden. Dit verschil in mentaliteit komt natuurlijk door het hoge ons-kent-ons-karakter van de goedwillende amateurs in de Leidse regio tegenover de landelijke bond met zijn professionele medewerkers. Bij de LSB-beker, want daar gaat dit verslag over, is dit verschil nog duidelijker. De clubs moeten onderling een datum afspreken en, ja echt waar, de speelsterkte onderling afstemmen. Ik voorspel dat het zal niet lang duren voordat een Aziatisch goksyndicaat hier lucht van krijgt en erop inspringt. Dan kunt u uw geld overigens het beste op een 4½ – 3½ uitslag zetten. Bij drie van de vier reeds gespeelde matches kwam deze uitslag op de borden en ook in de onderhavige wedstrijd waren de teams aan elkaar gewaagd. De onderlinge afstemming heeft dus wel degelijk invloed.

Meedoen lijkt echter belangrijker dan de wil om te winnen. Stel dat we de volgende ronde aan het einde van de week uit moeten spelen tegen een club in de periferie van de LSB. Nee, daar wilden we niet aan denken. Traditiegetrouw doet Philidor toch ieder jaar mee aan de beker. Het is wel degelijk een serieuze prijs. De herinnering aan de bekerwinst van vier jaar geleden werd door de drie aanwezigen uit het sterrenteam van destijds nogmaals gememoreerd om ons voor de wedstrijd op te laden. Teamleider Frank Zeven had de ondankbare taak spelers te vinden voor deze wat ondergewaardeerde wedstrijden, alle afspraken te maken met de tegenstander, weken te moeten wachten op een antwoord, zich te verdiepen in de gewijzigde regelgeving. Nou ja, we zijn erg blij dat hij dat geheel belangeloos heeft gedaan. Frank bedankt, het waren twee fantastische wedstrijden.

Twee maanden na de eerste contacten traden uiteindelijk trad het viertal Frank Zeven, Wessel Braggaar, Jan van der Knaap en Willem van Briemen aan tegen Voorschoten. Voor de goede orde moet u weten dat er tweemaal een rapidpartij tegen dezelfde tegenstander wordt gespeeld. Door het snelle tempo heeft niet iedereen genoteerd en heb ik ook niet veel van de andere partijen kunnen volgen. Toch heb ik meer gezien dan de anderen, omdat ik tweemaal als eerste klaar was. In de eerste partij stond ik twee pionnen achter en dachten mijn teamgenoten na het snelle einde dat ik wel verloren zou hebben. Dat is in mijn geval meestal een terechte aanname, maar nu ging het toch echt om correcte pionoffers. Zwart heeft zelfs een hele fraaie kans laten liggen.

Toen ik na een verblijf aan de bar weer in de zaal terugkeerde, waren de andere partijen nog bezig. Het incrementele speeltempo maakt dat het einde van de partij niet zo snel door een grove blunder wordt veroorzaakt. Pas na lange tijd vielen de beslissingen. Wessel had minder pionnen en toen zijn tegenstander loskwam was dat beslissend. Frank en Jan konden beiden het verzet van de tegenstander niet breken en kwamen remise overeen. Een 2½ – 1½ achterstand dus. In de tweede ronde mochten we dit met verwisselde kleuren proberen recht te zetten. Opnieuw was ik (ditmaal met wit) als eerste klaar.

Wessel verloor zijn partij, nadat hij in de opening een pion kwijtraakte. Hij had dan ook een erg sterke tegenstander. Voorschoten had namelijk een jeugdspeler met een lagere rating opgesteld en dit gecompenseerd met spelers die op papier sterker dan de onzen waren. Slim, want jeugdspelers spelen notoir sterker dan hun Elo kan bijhouden. De partij van Frank eindigde wederom in remise, zodat Jan als laatste moest winnen voor lijfsbehoud. Heel duidelijk leek dat allemaal niet in tijdnood, maar toen zijn tegenstander een toren weggaf, was het benodigde punt binnen. Een uitslag van 4 – 4, terwijl er maar één team door mag naar de volgende ronde. Menigeen dacht aan snelschaken, zoals dat in voorgaande jaren gebruikelijk was. Maar hoeveel potjes en met welk speeltempo wist eigenlijk niemand. Een raadpleging van het reglement op internet leverde de verrassende conclusie op dat het laagste bord uit resultaten moet worden geschrapt. En daar zat nou net de lager geklasseerde jeugdspeler waar Jan met 1½ – 2½ van gewonnen had. Dat betekent dat het bekeravontuur weer voorbij is. Misschien kunnen we afspreken dat bij 4 – 4 het team met de laagste rating doorgaat naar de volgende ronde.

Geef een reactie